Ik wil leven in volle glorie – het verhaal van Anna Maaike

Pff het is best lastig om op papier te krijgen wat je mee hebt gemaakt, toch ga ik het zo goed mogelijk proberen te verwoorden. Dit is mijn road to recovery.
De overgang naar de middelbare school was voor mij totaal niet iets om bang voor te zijn. Ik wilde best een ‘brugpieper’ zijn en was ook gewoon trots op mijn zware rode Eastpack. Ja, ik vond het jammer dat ik mijn klasje minder zou zien, maar dat hoorde bij het opgroeien.
Ik groeide zeker op. In plaats van 5 minuten lopen naar school fietste ik 20 minuten heen en 20 minuten terug naar school. Het feit dat ik wat ouder werd en ging groeien zorgde voor wat lichamelijke veranderingen. Ook zei ik mijn paardenstaart gedag en droeg ik mijn haar lekker los. Ik weet nog heel goed dat een moeder van een oud klasgenootje tegen mij zei: “Goh wat zie jij er goed uit, wat ben jij slank geworden, mooi hoor!” En daar werden slank zijn, er goed uitzien en mooi in één zin genoemd.

Ik viel dus natuurlijk wat af, geen probleem zou je zeggen. Echter ging ik mijzelf al snel regels opleggen rondom eten, aangezien slank zijn altijd iets was waar ik mij mee bezig hield en dit ook blijkbaar als mooi werd gezien. Ik zou minder ‘slechte’ dingen eten, gewoon alleen in het weekend. Dit veranderde naar geen ‘slechte’ dingen eten. In het begin was het niet zo dat ik me hier altijd aan hield, en is het ook met vlagen goed en minder goed gegaan. De weegschaal kreeg in de tweede klas al weer wat meer aandacht en ik zag getallen voorbij komen die lager waren dan eerst en dat vond ik interessant.

In de derde klas begon het voor het eerst bij sommigen op te vallen dat ik stukken dunner werd. Ook wel bij mijn ouders, maar vaak kon ik er van af komen met smoesjes. In de tweede klas kreeg ik een beugel en die kon ik jaren lang als een fijn smoesje gebruiken ‘want ik kan zus en zo niet eten door mijn beugel.’ Ook kon ik het smoesje ‘Ik vind het niet lekker’ gebruiken. Echter op mijn 15de verjaardag kreeg ik te horen dat ik echt ingeschreven zou worden bij een eetstoorniskliniek als er niks zou veranderen. Schrok ik hiervan? Ja, ik wel. Mijn eetstoornis niet. Ik had veel minder controle over alles wat ik deed, ik ging vlekkeloos door met de trucjes, de smoesjes en het rare gedrag. Ik was altijd een heel vrolijk meisje dat eerlijk, lief en behulpzaam was. Behulpzaam bleef ik, ik dacht dat ik nog altijd vrolijk over kwam en eerlijk, tja dat werd ik steeds minder.
Op naar de huisarts dan maar, want als ze echt eet wat ze zegt dat ze eet waarom valt ze dan af? Ik wist wel beter. De huisarts waar wij bij kwamen was alleen niet echt onder de indruk van mijn ouders en het verhaal. Mijn bloed werd getest omdat mijn ouders dat wilden. Maar het advies van de huisarts was : ‘Een appeltje meer en je komt er wel.’ Ja echt. Mijn vervelende gedachten waren hier best blij mee. Mijn ouders namen hier geen genoegen mee en waren boos, heel boos. Een volgende huisarts moest ingeschakeld worden. Het hele ziekenhuistraject duurde erg lang. Bij de volgende huisarts werden er wel degelijk stappen ondernomen, echter wist mijn nare stemmetje heus dat het niet de juiste stappen waren. Ik kwam bij een diëtiste, kreeg een eetlijst en extra nutridrink. Toch bleef ik afvallen, want naar mate de tijd vorderde werd ik steeds sluwer en kon ik ook hier negen van de tien keer wel goed onderuit komen. De diëtiste stond er dan ook meer van te kijken dat ik niet was aangekomen dan ik. Oké, dit hielp niet. Wellicht was ik dan ziek? Een allergie? En zo kreeg ik een operatie waarbij ze via mijn mond naar binnen zijn gegaan om een stukje van mijn darmen af te nemen. Uitslag: niks mis met mijn darmen.
Hierdoor kwam ik even later toch weer bij dezelfde huisarts, zat ik weer in dezelfde stoel en kwam de volgende stap.

De aanmelding bij een eetstoorniskliniek. Het hele traject om hier te komen ging pas van start na de zomervakantie. En in die zomervakantie ging het dan ook slecht; zoveel warmte dat ik veel pijn had aan mijn lichaam, weinig eten, veel willen doen. Ik ging wel gewoon door met alles, tot de intake.
De intake bij de eetstoorniskliniek zal ik niet snel vergeten. Het was op de eerste dag van school, van mijn laatste jaar. Het jaar waarin ik zou gaan slagen voor mijn HAVO diploma. Die gedachten werden na de weging direct omver gehaald: ik mocht vanaf nu niet meer naar school, en moest direct door naar het ziekenhuis om bekeken te worden. Ergens vond ik dit gek, want alle meiden die ik de kliniek in zag lopen die opgenomen waren zagen er veel slechter en dunner uit dan ik, toch? Zo erg was ik toch niet?

Bij de dokter kreeg ik te horen dat ik eigenlijk opgenomen moest worden, maar een kwaliteit van mijn eetstoornis was om mensen goed om te kunnen praten. En ook de dokter. Ik zei dat ik alles heel goed zou gaan doen, dat ik dit niet wilde en wilde vechten. Dit was nep, en wanneer dit nep is werkt het niet. In mijn ziekenhuis-thuis traject, wat betekende bedrust en eten, was ik nog te vrij om te sjoemelen. De ene dag in de week bij de de eetstoorniskliniek zette ook niet veel sode aan de dijk en ik werd voornamelijk gewoon geleefd door alle regeltjes, de moeheid, mijn bank, de anti-depressiva en alle doctoren, psychiaters en diëtisten. Mijn gewicht steeg te weinig en dit resulteerde in een opname.

Ik stond er niet veel bij stil. Toen ik zag hoe moeilijk mijn ouders het hadden om mij achter te laten schrok ik wel heel erg. De tijd in de kliniek was echt vreselijk. Ik heb tijden gehuild omdat ik mijn ouders en veilige thuis zo erg miste. Het was de heimwee die ik nooit had gehad, en dan 10x zo erg, want ik kon. Niet. Weg. Ik moest daar blijven met allemaal meiden die ook allemaal gekke eetgewoontes hadden en die ik feilloos over gingen nemen. Dit is namelijk een grote trigger voor mij; mij vergelijken met anderen. De verpleegkundigen wisten van aanpakken en zetten mij heel snel voor het blok; allerlei dingen moest ik eten die ik al jaren liet staan. Ik deed alsof ik er voor ging. Ik kwam ook wel aan, maar de verandering in mijn hoofd was er nog lang niet. Tuurlijk heb ik met de meiden ook fijne dingen meegemaakt, hebben we kunnen lachen. Het doel van de kliniek was aansterken, en qua gewicht lukte dit, maar mijn hoofd bleef overstromen en ik kwam met nog meer gekke trekjes terug dan ik er heen ging. Vind ik een kliniek een goed middel? Mwah, voor mij was het echt heel vervelend en ik heb heel veel moeilijke dingen erbij gekregen. Het heeft vast voor anderen meer waarde, maar ik was er nog lang niet.
Ik mocht na de kliniek naar een deeltijdbehandeling. Waar het al veel meer ook ging om de extra zaken van het leven die moeilijk kunnen zijn bij een eetstoornis. Hier heb ik wel stappen gemaakt, al merkte ik niet dat de ‘oorlog in mijn hoofd’ minder werd. Ondertussen ging ik nog steeds niet naar school. Hoe moest dat goed komen met mijn HAVO diploma, ik moest en zou het halen. Langzaamaan mocht ik naar school, ik had thuis zoveel mogelijk gedaan, maar echt naar school hoe pak je dat aan? School was wel mijn houvast, mijn idee om dan toch maar verder te gaan. Mijn besluit: ik ging examen doen. Voor velen echt een raar idee, maar voor mij volkomen logisch. Ik slaagde. Ik vierde dit, en zag het als normaal. Als ik er nu op terug kijk is het knap, ik heb met drie maanden echt op school zitten mijn HAVO afgerond. En dat terwijl ik ook nog druk in mijn hoofd was.
Na de deeltijd ben ik ‘positief spiegelen’ therapie gaan volgen. Waar ik positief leerde kijken naar mijn lichaam. Telkens positief blijven praten om dit normaal te gaan vinden. Nog steeds pas ik dit toe en hoop ik dit over te brengen, dit werkte al goed bij mij. Ook leerde ik in deze tijd hoe ik normale zaken weer kon oppakken. Langzaamaan ben ik mij bezig gaan houden met het leven als opgroeiende volwassenen. Ik begon aan een opleiding, ik ging meer om met vrienden en wilde af en toe zelfs uit. Dit zorgde nog vaak voor oorlog, want ik moest wat controle loslaten. Ook had ik gesprekken een op een, en ik denk dat dit mij het meest heeft geholpen. Hier ging het over waar ik mee zat, waarom ik echt controle wilde hebben, wat mij zou kunnen helpen en over mijn doelen. Ik hoefde even geen rekening te houden met anderen, wat ik heel snel doe. Ik kon mij niet vergelijken en was gericht op mijn eigen belang. Ik kwam erachter dat ik het hele traject niet heb gedaan omdat ik het zelf wilde, het moest nou eenmaal. Ik heb zat mensen gesproken, veel tijd besteed in de kliniek en de therapie ruimtes en ik heb zat te verduren gehad en ik kreeg steeds meer ruimte voor mijzelf en om mezelf weer te kunnen zijn; vrolijk, lief, behulpzaam en eerlijk. Ik leerde juist door de normale dingen dat het wel waard is om het vechten door te zetten.
En dat vechten? Eigenlijk moet ik dat nog keer op keer doen. Soms vind ik dat heel stom, dat ik niet echt kan zeggen dat er een goed omslagpunt is geweest. Want ik moet gewoon nog heel vaak die oorlog aangaan in mijn hoofd. Ik moet eigenlijk dagelijks nog wel vechten tegen gekke stemmetjes en gedachten. Ik heb tijden gehad dat ik mij weer in andere trucjes heb laten meenemen, laxeermiddelen, smoesjes, liegen. Maar ik merk wel dat het niet is wie ik ben. Het gaat makkelijker om het goed te doen, het voelt ook fijn om het goed te doen.
Het voelt fijn om te weten dat ik mijn eigen ding mag en kan voortzetten en dat er geen hoge pief is die zegt dat dit niet goed voor mij is. Ik sport, ik ga afstuderen van het HBO en ik wil genieten. Genieten met volle teugen. Hiervoor moet ik blijven vechten, want ik heb nog steeds gedachten van aan het begin van mijn eetstoornis. Wat ik wel weet is dat ik mijn strijd wil delen. Ik wil laten zien wat er mogelijk is, wat ik doe en waar ik nu sta. Ik ervaar dat ik nog moeite heb, maar ik ervaar des te meer hoe belangrijk het is om die moeite aan te gaan en te vechten. Ik wil leven en leven op mijn manier, leven in volle glorie en dat gun ik iedereen. Hoe je gevecht er ook uitziet, het is het waard om aan te gaan.
ANNA MAAIKE